Categorieën
BrusselBlogt.be Pellicule & papier

Filmbespreking

In plaats van thuis te blijven, waar ik losgekoppeld van mijn medemens het kleine scherm zit te koesteren, ga ik naar de cinema. Zo draag ik bij tot de instandhouding van een bedreigd goed: de samenleving.

Zo kom ik ’s avonds nog eens buiten en zal ik opnieuw de warmte voelen van die kleine menigte die samenzit voor het gróte scherm. Het oude grote scherm: cinema bestaat al 130 jaar.

In de cinema komt de film tot leven zoals hij dat thuis niet kan, want film is gemaakt voor het grote scherm, zo luidt het oude adagio. In tegenstelling tot ik schat 85% van mijn medemensen heb ik geen joekel van een TV staan die mijn woonkamer domineert en mijn binnenhuisinrichting aan flarden rijt. Dus dát argument om binnen te blijven speelt ook geen rol.

Zo, ik heb mijn programma helemaal opgesomd in mijn hoofd. Nu kan ik ook echt de deur uit. Buiten blijkt het niet bijzonder koud, en de randvoorwaarden voor een mooie filmbeleving zijn helemaal voldaan: ik kruis allerlei avondlijke figuren op straat, ik zie mooie gevels die in het donker driedemensioneel worden door het elektrische licht dat hun binnenleven een beetje prijsgeeft: een kader aan een wand, een schoorsteenmantel, licht achter een doorschijnend gordijn. Op de drempel van de bioscoop zelf sta ik in een kleine rij wachtenden iets te verwachten, en ik krijg aan een kleine, ouderwetse, (bevrouwde) kassa een ticket onder een glazen spreekruitje doorgeschoven bij de woorden “Bon film”. Op de verdieping blijkt de bioscoopbar warempel open te zijn (“in het weekend”). Geen betaalzuil die me opwacht, maar een opgeklede man, met wie ik een blik uitwissel naast enkele euro’s.

Ik ben meer dan blij met mijn démarche. Ik wandel de filmzaal binnen, … en dan spat de droom uiteen.

Als ik neerzit, blijk ik overgeleverd aan een overdosis: de verhalen buitelen over elkaar heen. Merken, filmteasers, aankondigingen, boodschappen, verwittigingen, geboden, verboden… De stroom stopt niet, en dat put me uit. Als ik me niet diep verschuil in mijn jas of in mijn kleine scherm – ik zoek wanhopig manieren om me aan de beeldenbrij te onttrekken – geef ik me onherroepelijk bloot aan biografieën, filosofieën en psychologieën, emoties en reisverhalen, geschreeuw, gefluister en gebabbel, terwijl het grote werk dat ík schikte te doen me klaarhouden voor één enkele film was. Waarom persen de bioscoopuitbater, de filmverdeler en de reclamejongen er toch zoveel uit, vraag ik me af.

Hebben ze er geen erg in? Mag dit, allemaal, in naam van de knusse en verkwikkende ervaring die “naar de cinema gaan” heet te zijn? Wie er geen graten in ziet om twintig minuten lang onbeschermd in dit mijnenveld van boodschappen, die elkaar om de paar seconden neutraliseren, rond te lopen, is naar mijn gevoel even ziek als Malcolm Mc Dowell tijdens de Ludovico treatment in A Clockwork Orange.

En die onhebbelijke gewoonte van mensen om hun jas op de zetel naast zich te leggen in plaats van op zichzelf, zodat er niemand naast hen zou komen zitten (als je een vragende houding aanneemt, let dan eens op hoe laattijdig en schuw ze reageren), doet me weer met mijn voetjes op de grond komen: nee, cinema is geen glorieus sociaal gebeuren op een vrije avond maar een donker krocht waar alle maat zoek is en egoïsme hoogtij viert.

Share