Categorieën
Anderlecht Brussel Actua Brussel Persoonlijk Sint-Gillis Sint-Jans-Molenbeek

In de vuurlinie

‘Is er al op je geschoten?’ vroeg mijn vader aan de telefoon. Alsof hij dat verwachtte.

Hij belde op dinsdagmiddag, na het journaal. Dat verklaarde het. Er wás de avond ervoor geschoten, en de dagen dáárvoor: op een politiekantoor in Anderlecht. Aan de Hallepoort. En maandagavond op het terras van een pizzeria, met een automatisch wapen. Op een plek waar kinderen ananas op hun pizza vragen.

Anderlecht, dat is al snel vier kilometer van bij mij. Sint-Gillis vijf. Ik woon in Molenbeek, dus ik kan moeilijk beweren dat een geweerschot iets exotisch is. Maar vier kilometer is vier kilometer. Dat is niet altijd zo geweest.

Toen ze Abdeslam uit zijn huis sleurden, woonde hij een paar honderd meter van mijn deur. Er was ook die maandag in oktober, drie jaar geleden, toen ik rond zeven uur gelukkig besloot om toch niet naar de film te gaan. Ik zou langs de Ieperlaan gepasseerd zijn, net toen een fundamentalist er drie Zweedse voetbalsupporters neerschoot.

Sindsdien reken ik bij geweld in kilometers. Het gebeurt vanzelf. Zoals je bij onweer de seconden telt tussen de lichtflits en de donder. Eén kilometer per drie seconden. Ik hoor Anderlecht, en ik denk: twaalf seconden is ver genoeg. Sint-Gillis: tien haltes met de metro. En hij rijdt weg van waar ik woon.

Hoe verder, hoe beter. In het beste geval blijft de vuurlinie zich verder verwijderen, gemeente na gemeente, tot over de ring, Brussel uit. En ver daarrond.

IJdele hoop, natuurlijk. Misdaad verdwijnt niet. Net zomin als dealers op hun steps of fatbikes. De politie kuist een plein op en de volgende avond staan dezelfde drie jongeren onder een andere lantaarnpaal. Hetzelfde dure horloge om de pols. Hetzelfde geduld. Ze gaan niet weg. Ze verhuizen alleen.

Voor mij maakt dat een verschil. Voor mijn vader niet. Voor hem bestaan Anderlecht en Molenbeek en Sint-Gillis niet. Geen gemeenten, geen grenzen. Alleen Brussel: één pot nat.

‘Hoe ver was het van bij jou?’ vroeg hij.

‘Vier kilometer,’ zei ik.

Hij bleef even stil. Op de achtergrond hoorde ik de televisie. Zachter gezet, niet uit. Dat doet mijn vader niet.

‘Bij ons in Pelt hebben ze zaterdagnacht ook geschoten,’ zei hij uiteindelijk.

‘Bij jullie? Serieus?’ Ik had er nergens over gelezen.

‘Aan een café in de Kerkstraat. Twee jongens van zesentwintig die ruzie kregen op het terras.’ Hij zei het zoals hij het gelezen had in Het Belang van Limburg, met de leeftijden erbij. ‘Rond drie uur ’s nachts. Een vrouw belde de politie omdat ze schoten hoorde en niet wist vanwaar.’

Het bleek een alarmpistool te zijn. Dat schiet niet echt. Niemand raakte gewond. Maar de burgemeester had het cowboypraktijken genoemd.

‘Dan lopen er dus niet alleen in Brussel cowboys rond,’ zei ik, alsof ik daarmee een punt maakte. ‘Hoe ver is dat van bij jullie, de Kerkstraat?’

Mijn vader moest even nadenken.

‘Dat is Neerpelt, geen Overpelt,’ zei hij. ‘Een kilometer of vier?’

De andere kant van het dorp. Ver van de vuurlinie. Oef.

Share

Door Dieter Rogiers

Dieter woont in Molenbeek. Hij schrijft cursiefjes over wat hem in Brussel opvalt. Soms schrijft hij ook romans en kortverhalen, zij het niet altijd met Brussel als decor.