Er zijn twee soorten oude mensen.
De eerste soort houdt het voor bekeken. De man kijkt stuurs, verveeld, onverschillig. Een paar meter achter hem sloft zijn vrouw, triest, heel alleen.
Dan is er het hartelijke koppel, altijd gearmd alsof ze mekaar continu ondersteunen, in de volksmond een Boudewijntje (Boudewijn zat geplakt aan de arm van Fabiola), ze ondersteunen mekaar fysiek, maar vooral van harte. Soms praten ze onafgebroken maar meestal hoort hij slecht en volstaat het tevree naast mekaar te lopen, soms iets aan te wijzen.
Treske, de onsterfelijke overleden bazin van de Laboureur (nvdr: Thérèse Van Laer), liep altijd vóór de man. Ik heb 77 venten gehad, zei ze, geen enkele goeie. Daarom liep zij vooraan, hij liep achter haar gebukt onder een zware boodschappentas.

