Vijftien jaar woon ik nu in Brussel. Als student, als huurder, als eigenaar. Na 15 jaar woon ik nog steeds oprecht graag in Brussel. Maar… dit jaar sloop de twijfel voor het eerst mijn gedachten binnen. Niet zachtjes fluisterend, maar met veel kabaal.
Het zijn niet de schietpartijen, de vuiligheid, de bestuurlijke chaos. Niet het sluipverkeer, de uitlaatgassen, het gebrek aan groen die de doorslag geven. Dat kan ik best verdragen, vanuit mijn ietwat geprivilegeerde stekje. Maar wat wel weegt, elke dag een beetje meer, is de soundtrack van de stad – en het volume daarvan.
Steppen met stereo. Soundsystem op straat. Pleinen pulseren op het ritme van dj’s.
Helikopters – want EU-top. Vuurwerk – want voetbal. Vliegtuigen – want… VLIEGTUIGEN!
Werven die boren, beuken, breken. Soms ook ratelen, pruttelen, protesteren.
Straatmuzikant hier, foor daar. Geen picknick zonder beats.
Ertussen: mensen die vechten om niets.
Banden gieren. Trams tieren.
Trouwstoeten toeteren triomfantelijk door de straat – staccato.
Sirenes gaan crescendo. Mijn tinnitus: fortissimo.
Een rijdende rave remt voor rood, draait de volumeknop verder open.
Op restaurant danst de mousseline mee.
Niet met goesting, maar op bevel van de bas.
Op de bus: hardop telefoneren, lachen, discussiëren.
De nieuwste Spotify-hit galmt nog na.
Reels op luid. TikTok op tien. Bommetjes bij de bushalte.
Bij thuiskomst, een jankende, blaffende, huilende hond. Eenzaam bij de bovenburen.
Mijn hart breekt.
Mijn hoofd… zegt “Boem. Paukeslag.”
De stad blaast, bromt, bonkt, beukt, blèrt en buldert. Dag en nacht. Op straten en pleinen, in parken en metro’s, ter land, ter zee en in de lucht. Een eigenzinnig orkest zonder dirigent. De dissonantie echoot nog lang na tussen het beton.
En dus draag ik, zoals velen, oorverdoving. Een noise cancelling hoofdtelefoon om de wereld buiten te houden. Als zombie naar de grond – of mijn smartphone – starend. Zo hou ik me noodgedwongen toondoof voor wat er luidruchtig rondom mij gebeurt.
Het ligt aan mezelf, ik weet het. Na een covid-infectie vorig jaar kreeg ik langdurige klachten. Intolerantie voor prikkels is er één van. Een prima excuus. Ik wens het niemand toe.
Maar ondertussen vraag ik me af: mag het nog stil zijn, eens, ergens, ooit, in deze stad? Silence is the emission of sounds of such low intensity that they do not draw attention to themselves – zegt Wikipedia. Dat hoeft dus geen afwezigheid van geluid te zijn – gewoon, iets minder opdringerig, als het kan. Want ik ben ongetwijfeld niet de enige die er bij momenten horendol van wordt, die soundtrack van de stad.
Kunnen we dat afspreken?


