Hoe goed was Antoine Wiertz?

Faim, folie et crime

Geïnteresseerd in de levensloop en het werk van Antoine Wiertz, begin ik te lezen: “Op het soort van taferelen dat hij zijn leven lang borstelt, zit natuurlijk niemand te wachten.”

Ik spring op, mezelf kennende als liefhebber van Wiertz’ taferelen en bewonderaar van zijn schildervaardigheid.

De zin staat op pagina 36 van ‘Gare du Nord’ van Eric Min, het deze zomer verschenen boek over Belgische en Nederlandse kunstenaarsperikelen in het Parijs van 1850 tot 1950. Min begint zijn kunstenaarsparcours met Wiertz, zoveel eer bewijst hij de man alvast.

Algauw lees ik een tweede vernietigende frase:

“Dat je met goede bedoelingen slechte kunst maakt, wist Flaubert al; vandaag zal elke bezoeker van Wiertz’ heiligdom het eens zijn met die stelling.”

Hiermee kan ik echt niet verder. Ik slikte de eerste nog door – een mens heeft heel wat te doen en kan niet in de pen kruipen bij elke gelegenheid – maar nu word ik toch abrupt in mijn vaart gestopt. Elke bezoeker?

Ik vraag me af of ik de bizarre, niet in de maat passende uitzondering op deze regel zou zijn. Ik houd van Antoine Wiertz’ ongewone onderwerpen. Ik houd ervan dat kunstenaars – zeker wanneer ze hun vaardigheid bewezen hebben – individuele manieren toepassen om de wereld af te beelden, dat ze de canon verrijken met scheppingen die je niet ziet bij een ander.

“losgeslagen oeuvre”

“warrige wereldbeeld”

“buitenissige werk”

“pompeuze atelier”

Le bouton rose

Antoine Wiertz schilderde effectief vaak ongewone dingen. Een gekiste man die het deksel oplicht, beseffend dat hij levend wordt begraven; een hongerige moeder die haar belastingbrief niet kan betalen en in uiterste wanhoop haar kind in de kookpot steekt.

Kind van zijn tijd, die sociale, geëngageerde kunst moest rijmen met heroïek die bij het jonge België paste. Tussen romantiek en realisme. En die daar zijn eigen draai aan gaf.

Wat moet kunst zijn? Waarom zou kunst onder haar wijde vleugels van verbeelding geen diversiteit mogen hebben? Ook Nick Cave is ondertussen algemeen erfgoed. Ook J.-P. Witkin behoort tot de fotografiecanon.  Waarom zou Wiertz’ atelier niet een heel mooi geschenk kunnen zijn? Met subtiele portretten én extravagante vertoningen?

L’inhumation précipitée

Dat Wiertz gefrustreerd was omdat de Parijse jury zijn ultieme inzending niet honoreerde, dat zal wel kloppen. Hetzelfde werk was eerder wel geprezen, in Rome en ook bij ons. En dat de kunstenaar zijn leven lang op die zaak terugkwam, via schotschriften en pamfletten, dat kan wijzen op zijn overdreven, misschien ongezonde stuursheid. Evengoed was het wellicht een garantie voor de vrijheid van zijn verbeelding.

Dat een journalist in die tijd van de Salons zijn ‘Patroclos’ vergeleek met een scène uit een slagerij, welaan. Ikzelf denk er niet meteen slagersmessen bij.

Kortom, dat Wiertz het wellicht groter zag dan wat voor hem mogelijk was? Dat kan best. Overmoed is echter geen unicum bij kunstenaars of andere ambitieuze geesten.

In de Vautierstraat hangen talloze fascinerende beelden bijeen, die mij iets over de wereld zeggen en waar ik mijn verbeelding aan vastknoop. Zoals “Un géant de la terre”. Of ‘La Belle Rosine’, waarover zelfs zo goed als eensgezindheid bestaat. Prachtig en erotisch ook, hoe hij binnengluurt bij vrouwen die rozen aanbieden of een trompe-l’oeil schildert op de ateliermuur – jonge vrouw laat je binnen via de deur die ze opendoet. Overdreven, groteske beelden, soms? Misschien wel. Soms. Misschien vaak ook de moeite waard, zoals bij dat werk waar je een ziel ziet opstijgen “in de seconde na de dood”.

Un géant de la terre

Over Antoine Wiertz lees je op heel veel plekken negatieve kritieken.

Zo ook bijvoorbeeld bij André Moerman (‘Antoine Wiertz 1806-1865’, 1974): “Il dénonce de façon grotesque la misère du peuple”.

“sa sincère colère à propos de causes justes, son anxiété devant une certaine décadence des moeurs sont noyés et perdues dans l’invraisemblable Grand Guignol de son univers psychique.”

 “son musée, le temple de ses égarements”.

Het wordt leuk om giftige zinnen over Wiertz te sprokkelen.

Enkel bij de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten lees ik nuance en herkadrering.

Eric Min lijkt in zijn nieuwe (goede) boek Wiertz’ doodkist definitief te willen dichtnagelen middels enkele stevige tikken van de hamer. Verschrikt tilt de schilder het deksel op. Levend begraven? Mij? Doodmaken?

Levend, voortlevend, in mijn visie. Als je te hard wil treffen, springt de nagel soms door het hout heen.

Van Wiertz  een ongezond geval maken, het is bon ton. Laat mij daar tegenin gaan, op deze plek aan de rand van het grote gebeuren – zelfs als het waar is dat Antoine Wiertz ziek was van nijd. Hoeveel vaderlandse kunstenaars bezitten overigens een eigen museum dat tot de federale kunstinstellingen behoort, plus een bronzen monument op een stadsplein (Blyckaert)?

Tot slot. Wiertz pleitte in zijn pamflet ‘Bruxelles capitale, Paris province’ voor een uitbreiding van Brussel, voor een stad op wereldmaat met miljoenen inwoners, met nieuwe boulevards en grootse gebouwen. Dat de poorten van Europa vandaag tegen de tuin van de kunstenaar aanschurken, vindt Eric Min een wrange paradox van de geschiedenis, die vast niet met Wiertz’ bedoelingen overeengekomen zouden zijn. Waarom niet? De Europese instellingen in Brussel zorgen voor een vierde van het inkomen van de stad en tillen haar op het internationale plan. Zelfs de architectuur rondom het Luxemburgplein is eerder geslaagd.

Share