Categorieën
Kunst

Intermezzo De aardappeleters

April 1885 – Nuenen

Hij wil weg. Vincent verdraagt het wit van het doek niet. Het werk dat op hem wacht. Duizenden verfstreken. De onvrijheid. Zijn handen trillen. De verwachtingen hijgen in zijn nek. Zijn verwachtingen. Of zijn het de verwachtingen van de anderen?

Het toneelgordijn zwiept open. De schuur van het ouderlijke huis zit propvol ogen van bekenden, als opdringerige kerstlichtjes, als naaldenprikken. Hij voelt zijn modellen meekijken over zijn schouders. Zijn leermeesters duwen hem naar voren, zijn familieleden duwen hem naar achteren, zijn collega’s kijken geamuseerd toe. De stress giert als een racepaard door zijn aderen. Alles leidt hem af. Zijn plan verdwijnt langzaam uit het zicht. Hij zweet, zijn gedachten verdampen, hij wankelt. Plots vlamt een licht op dat hem verblindt. De volgspot licht hem uit, tekent hem scherp af en vergroot alles wat hij nu doet. Ogen open of ogen dicht? Het maakt niet uit: hij voelt alles. Zijn schaduw trilt. Het publiek houdt de adem in.

Het is nu of nooit. Hij is al over de dertig. Jarenlang heeft hij het boerenleven geobserveerd. Hij heeft bij ze aangeklopt. Hij heeft de boeren getekend en dan geschilderd. Hij begrijpt ze en hij aanbidt ze. Ze zitten in zijn lijf. Hun tronies zitten in zijn vingers.

Ik ben hondsmoe. Ik heb niet geslapen. Is dit wel de dag om te schilderen? Misschien is morgen een betere dag? Ik schets vandaag een laatste keer mijn modellen. Hij schudt het hoofd. Ik kan het niet. Tranen. Zijn nekspieren ontsteken. Een ijzeren schot rijst op onder zijn rugvel. Zijn gewrichten spannen zijn spieren op tot het uiterste. Zijn handen vinden elkaar achter op zijn rug. Iemand trekt de kap van zijn hoofd. Hij zuigt zijn lippen naar binnen, knippert de ogen en kijkt op.

Hij ademt. Theodorus schreeuwt. Anna Cornelia huilt en Willemina wendt haar blik vol walging van hem af. Ook Theo verlaat de donkere woonkamer. Kale muren. Vincent richt zijn blik naar de grond. Er verschijnt een preekstoel boven hem. De dominee wijst hem aan. Gillende zusters. Niemand mag voor hem poseren. Hij droomt van kleur, ademt diep in en ziet klaprozen, margrietjes en pioenen. Kinderen bekogelen hem met stenen. Hij ruikt de bloemen. Hij schaamt zich.

Hij knijpt olieverf als rupsen uit de tubes: roetzwart, Van Dyckbruin, gebrande omber, Pruisisch blauw, loodwit, smaragdgroen, viridian en okergeel voor het olielampvlammetje. Vermiljoen steekt de lont aan. Sprankjes hoop. De handelingen verstommen de stemmen en verdrijven zijn demonen. Zijn palet geeft hem grip en moed en durf. Opnieuw ruimte om na te denken.

Hij kiest een penseel uit de bokaal, doopt het in het zwart, wit en geel en brengt de achtergrond tot leven. Hij herinnert zich het hout, de ramen en kozijnen van elke grauwe boerenhut die hij de afgelopen jaren bezocht. De oliedampen, de mest, de schimmel, het bloed, de stront, de beesten, de klompen en het zweet. Slechts enkele centimeters tussen binnen en buiten. De illusie van geborgenheid. Zijn hart bloedt opnieuw. Zij die de aarde bewerken kunnen nauwelijks op adem komen. Als paarden trekken ze lijnen in de magere zandgronden. Ze zijn overgeleverd aan de grillen van de natuur. Ze praten niet. Hun krachten staan ten dienste van ons eten en hun overleven. Waarom ziet vader dit niet?

De wanden van het huisje zijn donker als de nacht, verlicht door de sterren aan de andere kant. De wind jakkert aan het dak en fluit door de kieren. Het zwerk trekt de kleuren uit hun bestaan. Verbeelding sijpelt de grond in. Familieleden zijn omtrekken die moeten bijkomen van de wind en de regen. Kloven, zweren, korsten, rottende tanden, helse rugpijn en scheurende honger. Krakende stembanden door onbruik. Vuil beschermt tegen nieuw vuil.

Kijken is medelijden, tonen is medeleven, deelnemen is verlichten.

Deze werkers trotseren de natuur niet: ze zijn natuur en blijven natuur. Ze komen los van hun tak en vliegen en cirkelen en glijden en vallen en dwarrelen tot ze landen. Ze verdrogen, verkruimelen en brokkelen en maken deel uit van de aarde, tussen de nieuwe zaden. Ze plakken en klitten en verdubbelen, groeien, glimmen en klimmen. Ze botten, piepen, ontvouwen, ademen en ruisen opnieuw zachtjes in de wind.

Elk afgewerkt gezicht verstopt Vincent achter een stuk linnen om de harmoniserende werking van zijn schilderen uit te schakelen. Het zijn vijf aparte portretten, ieder opgesloten in de eigen wereld. De leden rond de tafel hebben geen kracht om zich te verbinden en samen de dag te overlopen. Geen puf om lijntjes uit te gooien. Hier zitten geen helden, maar beesten die moeten vreten om te overleven.

Vincent overdenkt hun lot. Voor zijn geestesoog verschijnen er beelden van boeren die verdrinken in open zee, die zich met al hun krachten vasthaken aan wrakhout. Hij kijkt nauwkeuriger. Een plezierboot vaart langs met passagiers die op de drenkelingen neerkijken. De boeg snijdt de waterweerstand in tweeën en veroorzaakt dermate deining dat de boeren ten slotte het hout moeten lossen en verzuipen.

Vincent hapt naar adem. Ik zie dit elke dag, ik zie dit elke dag, ik zie dit elke dag. Zo is het leven. Ze hebben geen tijd om te leven. Ze hebben geen tijd voor harmonie. Ze hebben geen tijd voor muziek. Eenvoudig. Hard en trouw. Door het boerenleven te schilderen kom ik dichter bij hen, dichter bij de waarheid en dus dichter bij God.

Patatten vullen de boeren. Patatten is wat hen verbindt met elkaar. Familieleden die onlosmakelijk aan elkaar vastgeklonken zijn. Je weet niet waar je pa begint en waar je moeder eindigt. Je kijkt erop toe dat je broer en je zus genoeg patatten binnenspelen. Niet omdat jij je broer en je zus warmte en voldoening wenst, maar omdat jij je broer en je zus bent. Een werktuig bestaande uit vijf mensen, twee honden en een varken. Spaken uit een wiel zodat de boel verder draait.

Vincent schildert naarstig verder. Hij bouwt de gezichten op met stukken patat. Hij stapelt ze voorzichtig op en blaast er leven in: kootjes, knokels, gewrichten, neusbruggen en een bochel.

Hij bekijkt de zorgvuldig uitgestalde schetsen van zijn modellen niet langer. Hij kent de koppen en profielen uit zijn hoofd. Als hij het voorhoofd van de oude boer schildert, voelt hij zijn eigen voorhoofd. Hij is een boer die tekent en nu ook schildert. Hij is trots en schuift mee aan tafel.

Vincent verdwijnt. Eindelijk. Hij is zich niet meer bewust van zijn eigen lijf en leden. Hij hoort scheten, gevloek, gerochel en gespuw. Hij hoort het kraken van de rieten stoelen en het ritmisch gesmak, geronk en gezucht. Hij cirkelt rond de dampende schaal aardappelen en voelt zich één met de familie. Zijn ritme vermengt zich moeiteloos met deze vijf zielen die dezelfde kant op raderen. Iedereen weet wat te doen. Het leven geeft de tijd aan. Eén schuift, twee prikt, drie kijkt, vier geeft en vijf giet. Vincent ziet, hoort, ruikt en proeft het samenspel. Hij raakt het aan.

Zolang hij schildert, maakt hij er deel van uit.

Share

Door Thomas Dielman

In Het gemeenschapscentrum is David uitgenodigd om er samen met de sociaal-cultureel medewerkers activiteiten te bedenken om mensen opnieuw duurzaam met elkaar te verbinden. De medewerkers reageren niet unaniem positief op zijn komst. Thomas Dielman is beeldend kunstenaar en auteur. Hij woont in het centrum van Brussel. In 2024 verscheen zijn debuut Het straatfeest.