Het Vossenplein is een groot kerkhof

Alle wegen leiden naar het Vossenplein. Toch neem ik altijd dezelfde weg. De metro tot het Zuidstation, daar met de roltrap naar de Engelandstraat, de hoek om, de Zuidlaan over, de Huidevetterstraat in, rechtsaf de Spaarzaamheidsstraat in naar het plein.

De coronacrisis heeft me ontregeld. Maandenlang mocht de rommelmarkt niet meer doorgaan. Een groot gemis. Uit heimwee ben ik toen eens in de Marollen gaan wandelen. Het deed me plezier er toch nog steeds die authentieke sfeer aan te treffen. Een oudere Marollien zong op straat bij een café voor een vriend. Als een jukebox, het ene Franstalige lied na het andere. Hij declameerde ook het verhaal van Le Corbeau et le Renard uit het blote, benevelde hoofd. En ging dan voort met Le monde est gris, le monde est bleu, een lied dat ik nog nooit had gehoord.

Le monde est gris le monde est bleu
Et la tristesse berce mes yeux
Mon coeur est gris mon coeur est bleu
Je ne pourrais pas être heureux

Le monde est gris le monde est bleu
Et la tendresse berce mes yeux
Mon coeur est gris mon coeur est bleu
L’amour me quitte peu à peu

Le monde est gris le monde est bleu
La neige tombe sur mes yeux
Mon coeur est gris mon coeur est bleu
C’est donc si dur de vivre à deux

Stiekem bleef ik staan luisteren. Het lied paste bij de droevige tijd waarin we zoveel kwijt waren.

Ben ik toen ook mijn weg kwijtgeraakt? Sinds de rommelmarkt opnieuw mag doorgaan, wandel ik er door andere straten heen. Bij de Hallepoort stap ik uit en neem de Hoogstraat. In plaats van op te klimmen, daal ik nu af.

Onderweg loop ik langs het Sint-Pietersziekenhuis met zijn mooie ingang in art-décostijl. Pas begin dit jaar werd het als erfgoed erkend en beschermd.

Ertegenover staat een troosteloos flatgebouw van vijf verdiepingen. Het rust in het midden op zuilen, waar je onderdoor naar een parking kunt wandelen of rijden. Daarachter liggen nog meer treurige flatgebouwen. Aan weerszijden van de zuilen bevindt zich op het gelijkvloers een winkelruimte. Vroeger was hier een optiek. Maar nu niet meer. In beide ruimtes huist nu een begrafenisondernemer.

(c) De Rode Valies

Bood de vorige handelszaak de flatbewoners nog enig perspectief, dan komen zij nu ‘s avonds thuis met uitzicht met hun uitvaart. Dagelijks maant een lichtreclame hen aan om een overlijdensverzekering te nemen. Telkens worden ze eraan herinnerd dat zij en hun dierbaren deze wereld vroeg of laat tussen zes planken zullen verlaten. Of in een rieten mand of een urne. Die staan ook in de etalage. Het lijkt me vreselijk hier te wonen. Ook zonder een begrafenisondernemer onder me begeleidt mijn sterfelijkheid me bijna altijd.

Maar vandaag schijnt de zon. Ik loop naar beneden via de Sistervatstraat. Eerst koffie drinken. De Chaff is failliet, La Brocante opent pas om twaalf uur, de patron doet nu bijna alles in zijn eentje. La Cléf d’Or is nog steeds heerlijk maar de koffie niet. ‘Au vieux marché’ dan maar.

Ik installeer me op het terras. Naast me zit een zestal vrienden, zwarte mensen in het zwart gekleed. De ober neemt mijn bestelling op en richt zich vervolgens tot hen: ‘Vous êtes ici à une triste occasion?’

Het is vrijdag, nog vroeg en rustig. Toeristen blijven weg, veel Brusselaars lijken nog niet te weten dat de markt nu ook op vrijdag opnieuw doorgaat.

Er is veel gestorven de laatste tijd. Dat zie je op het plein. Meer dan anders staan er kramen waar de inhoud van leeggemaakte huizen zonder sorteren in dozen is gegoten. Van vakantiesouvenir tot vingerhoed, van waspoeder tot wereldatlas, van zeepje tot zoutvaatje. En veel foto’s. Van doopverjaardagstrouwkerstfeestenvakanties. Voorbije blije momenten.

De klokken van de Onze-Lieve-Vrouw-Onbevlekt-Ontvangenkerk luiden. Een begrafenis vangt aan of eindigt, dat is niet helemaal duidelijk. Familie en vrienden staan samen bij de kerk. Voor de kerk staat een rouwauto geparkeerd. Hij is van de begrafenisondernemer waar ik net voorbij ben gewandeld. Eén vrouw uit luid haar verdriet. Ze jammert en huilt, schreeuwt het uit over het plein, slaat beide armen tegen het raampje van de zwarte wagen. Iedereen kijkt naar haar. De rommelmarktbezoekers blijven in een halve cirkel staan kijken. Ik ook. Het is geen ramptoerisme, eerder een eerbied, een bijstaan in verdriet.

Zacht snikken, sniffen, snuiven, snotteren. Dikwijls zonder omstanders. Tranen die in het donker over wangen rollen. Luider uiten we ons verdriet vaak niet. Een kind kan met zijn gehuil nog een hele bus terroriseren, maar met ouder worden verstilt het. Hoe dramatisch de scène die zich voor mijn ogen afspeelt, ze voelt tegelijk bevrijdend, als een ritueel.

Ik loop door. Het Vossenplein is nu een groot kerkhof. Kan ik nog iets redden?

‘Allez fouillez, tout à un euro. Votre bonheur est ici, il faut juste le trouver.’ Ik blijf staan, voel me aangespoord. Om verder te zoeken dan de gebruikelijke cache-pots, het Bochservies en de lampjes. ‘Je l’ai déjà trouvé,’ zegt een man en legt een euro in de hand van de verkoper. Ik vraag wat hij gekocht heeft. Hij toont me een gereedschap dat ik nooit eerder heb gezien, een puntig truweel. Hij gaat het gebruiken voor de meubels die hij restaureert, om de voegen uit te krabben. Doet hij dat professioneel? Nee, als liefhebberij.

Nu is het aan mij. Mijn blik verandert. Elk object wordt interessant, een potentiële bron van geluk. Ik wil verder en dieper kijken. Ik open een mand. Er zit een eend in. Die zal me denk ik geen geluk brengen. Een oude zonnelamp misschien? Die zijn niet gezond. De nood aan licht en warmte is nochtans groot.

(c) De Rode Valies
(c) De Rode Valies

Een bosmaaier zal me ook niet blij maken, net zomin als Anna Karenina ernaast. ‘Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.’ De bekende openingszin flitst door me heen. Op mijn eigen wijze zoek ik verder naar mijn geluk. Een waterpas misschien? Om dingen recht te zetten? Een barometer?

De man van het kraam probeert me te helpen: misschien de passe-vite?

(c) De Rode Valies
(c) De Rode Valies

Een engel brengt geluk. We kunnen niet zonder. Maar te voor de hand liggend. De brandblusser dan maar?

(c) De Rode Valies

De mooie vintage handtas? Zonder handvat? Dafalgan? Verdoven is vluchten. Het houten telraam spreek me aan. Maar ik kan er alleen doorheen kijken en terugdenken aan mijn kindertijd. Ik twijfel. Zolang ik twijfel, hak ik de knoop niet door.

(c) De Rode Valies

Dan zie ik het. In een mooi groen, een beetje verroest, met een houten handvat. Een bollenpoter – het woord vind ik pas later. Er ligt een glimmend, scherp schepje naast. Haast nieuw. Ik neem beide. Elk jaar neem ik me voor in november bloembollen in de grond te steken. Telkens weer vergeet ik het. Ik vertel de man dat ik mijn geluk in het najaar zal planten, in de hoop dat het volgend voorjaar uitkomt. We lachen.

Bij het volgende kraam valt mijn oog op een reeks foto’s. Van een kind in de natuur, met een grote wolk. Ik moet denken aan mijn wandelingen van de voorbije maanden, de momenten van echte vrijheid. Ik koop er drie. Een man zit gehurkt bij de doos met foto’s. Hij heeft een paar foto’s van dezelfde reeks vast, nog mooier dan de mijne. Ik had ze niet gezien. ‘Ze zijn echt goed genomen,’ zegt hij. Ik vraag of hij de foto’s gaat kopen.

Hij reikt ze me aan. ‘Ik zie dat jij ze zo graag wil.’

(c) De Rode Valies

Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Share